Tag Archives: aanvragen

Opslag lithium batterijen kan leiden tot een WABO omgevingsvergunning

In het Nederlandse Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) zijn soorten inrichtingen aangewezen met activiteiten die van belang zijn voor externe veiligheid. Batterijenopslag valt niet onder de werkingssfeer van de PGS 15. Lithium-ion batterijen zijn echter wel brandbaar en vallen wel onder de definitie van brandbare, gevaarlijke stoffen in het Bevi. Veel bedrijven, met name de grotere distributiecentra, zijn er zich niet van bewust dat ze wellicht vergunningsverplichting zijn en een WABO omgevingsvergunning dienen aan te vragen voor de opslag van deze batterijen.

Het meest waarschijnlijke scenario met een lithium-ion batterij wanneer het mis gaat is dat deze opwarmt en de reactie zichzelf versnelt (‘Thermal runaway’). Oorzaken kunnen verschillende zijn: van een productiefout, het gevolg van vallen, tot impact door (intern) materieel, een te hoge temperatuur of het overladen. Andere oorzaken zijn echter niet uit te sluiten. Wanneer één van de batterijen tot ontbranding komt is het lastig om deze brand te blussen. Andere batterijen kunnen ook betrokken raken of tot een thermal runaway overgaan. Zo’n brand kan gedurende lange tijd (meerdere uren tot zelfs dagen) woeden. Bij deze brand komen naast hitte ook giftige stoffen vrij (onder andere waterstoffluoride en lithiumhydroxide). Maatregelen zoals een sprinkler kunnen een brand beheersen of eventueel blussen.

De meest voorkomende lithium-ion batterijen hebben lithiumhexafluorfosfaat als elektrolyt en bevatten dus fluorverbindingen. Ook komen batterijen voor met onder andere chloor- en zwavelhoudende verbindingen. Hierdoor zijn ze in de zin van het Bevi brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen. In dat geval is het eerste lid van artikel 2f van toepassing. Dit betekent dat bij opslag van li-ion batterijen in hoeveelheden van meer dan 10.000 kg in een opslagvoorziening het Bevi van toepassing is. Overigens is met een wijziging daar ook nog een voorwaarde bij gekomen. Er is sinds de wijziging sprake van een opslag waarop het Bevi van toepassing is indien er:

  • brandbare gevaarlijke stoffen met chloor-, fluor-, stikstof,- of zwavelhoudende verbindingen aanwezig zijn
  • of brandbare gevaarlijke stoffen zonder chloor-, fluor-, stikstof,- of zwavelhoudende verbindingen aanwezig zijn samen met niet-brandbare stoffen met chloor-, fluor-, stikstof,- of wanneer zwavelhoudende verbindingen aanwezig zijn.

Het is raadzaam om als bedrijf zelf een onderzoek naar een vergunningsverplichting op te starten zodat men niet geconfronteerd wordt met plotselinge stappen van bevoegd gezag.

Het aanvragen van een omgevingsvergunning vaak omslachtiger dan gedacht

In de praktijk blijkt het aanvragen van een omgevingsvergunning veel omslachtiger dan vooraf ingeschat. Trajecten van plan tot vergunningverlening nemen in de praktijk soms wel 3 jaar in beslag. Dat is vooral het geval bij trajecten waarbij de aanvrager weinig verstand van zaken heeft en het wel zelf denkt te kunnen. In een logistieke omgeving, waarin snel handelen vereist is een dergelijk lang traject een no-go. Alvorens ergens te vestigen is het daarom vooral verstandig alvorens een vergunningstraject in te gaan na te gaan of de locatiekeuze om te beginnen een verstandige keuze zal zijn.

Bij de locatiekeuze van een bedrijf is een inventarisatie van het bestemmingsplan noodzakelijk en dienen de volgende vragen beantwoord te worden op basis van de voorgenomen activiteiten en bouwplan:

Zijn de beoogde activiteiten c.q. is het beoogde gebruik rechtstreeks toegestaan conform planregels bestemmingsplan en de bijbehorende verbeelding?

  • Zo nee, kan het beoogde gebruik conform de planregels van het bestemmingsplan toegestaan worden door middel van een binnenplanse afwijking (“vestiging van een bedrijf met bedrijfsactiviteiten die niet als zodanig opgenomen zijn in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij de planregels kunnen toegelaten worden mits dit bedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de toegelaten milieucategorie”)?
  • Zo nee, kan het beoogde gebruik mogelijk gemaakt worden door middel van een buitenplanse afwijking c.q. bestemmingsplanwijziging?

Om na te gaan of het beoogde gebruik op de locatie mogelijk of wenselijk is zal echter eerst vooroverleg gevoerd moeten worden met bevoegd gezag. Indien dit positief ontvangen wordt, dient een principeverzoek om planologische medewerking om het beoogde gebruik mogelijk te maken ingediend te worden. Indien het college van B&W een positief principebesluit neemt, kan vervolgens de bestemmingsplanprocedure opgestart worden.

Bedrijven doen er goed aan om een adviseur te kiezen die rekening wil houden met de omgeving van het bedrijf. Waar staat het bedrijf? Wat kan bepalend zijn voor die omgeving? Als advies geven de heren mee om je vroegtijdig te laten informeren. Sparren met de brandweer in een vroege fase is raadzaam. Bent u op zoek naar een adviseur voor het aanvragen van uw omgevingsvergunning?